Wat de kaart toont
Soort wijn
Legenda
- Wijnland
- Klein wijnland
- Wijngebied
- Rivier
- Gebergte
- Wijnland
- Klein wijnland
- Wijngebied
- Rivier
- Gebergte
- Over en bronnen
Wat de kaart toont
Soort wijn
Legenda
De vragen die mensen het vaakst over wijn stellen, kort beantwoord.
Het verschil zit in de schil. Het sap van bijna elke druif is kleurloos. De kleur komt uit de schil van blauwe druiven.
Rosé is dus bijna nooit een mengsel van rode en witte wijn. De bekendste uitzondering is rosé champagne.
Het gaat om de suiker die na de gisting in de wijn overblijft. Bij de gisting zet gist de suiker uit de druif om in alcohol. Stopt de gisting eerder, dan blijft er suiker over.
Fruitig is niet hetzelfde als zoet. Een wijn kan naar rijp fruit ruiken en toch helemaal droog zijn.
Bij mousserende wijn gelden andere woorden. Brut is droog. Extra dry is juist iets zoeter dan brut. Demi-sec is duidelijk zoet.
Natuurwijn is wijn die met zo weinig mogelijk ingrepen is gemaakt. Er bestaat geen wettelijke definitie die overal geldt. Meestal betekent het:
Bij gewone wijn mag de maker meer sturen, bijvoorbeeld met gekweekte gist, filteren en het bijstellen van zuur.
Natuurwijn kan daardoor troebel zijn en anders ruiken en smaken. Hij is vaak ook minder lang houdbaar.
Biologische wijn is niet hetzelfde als natuurwijn. Biologisch gaat vooral over het werk in de wijngaard. Natuurwijn gaat ook in de kelder verder.
Druiven zijn eeuwenlang van streek naar streek meegenomen. Overal kregen ze een eigen naam. Pas met DNA-onderzoek werd duidelijk dat veel van die namen bij dezelfde druif horen.
Syrah is de Franse naam. In Australië heet dezelfde druif Shiraz. Vaak zegt de naam ook iets over de stijl: Syrah voor de koelere, kruidige stijl en Shiraz voor de rijpe, volle stijl.
Andere voorbeelden:
In de lijst met druiven staat elke naam apart, met een verwijzing naar de andere namen.
Cabernet Sauvignon heeft een dikke schil. Dat geeft veel tannine en een stevige wijn. Hij smaakt naar zwarte bes en ceder en kan lang rijpen. De druif rijpt laat en heeft warmte nodig.
Merlot is zachter en ronder. Hij smaakt naar pruim en zwarte kers en heeft minder tannine. De druif rijpt eerder.
In Bordeaux worden ze vaak gemengd. Cabernet Sauvignon geeft de structuur, Merlot de zachtheid. Op de linkeroever, in de Médoc, overheerst Cabernet Sauvignon. Op de rechteroever, in Saint-Émilion en Pomerol, overheerst Merlot.
Het zijn halfbroers: allebei zijn ze een kind van Cabernet Franc. Dat zie je in de stamboom.
Een appellatie is een beschermde herkomstnaam. Het is een wettelijk afgebakend gebied met regels over welke druiven er mogen groeien, hoeveel er geoogst mag worden en hoe de wijn gemaakt wordt.
De naam zegt dus waar de wijn vandaan komt en in welke stijl hij gemaakt is. Het is geen garantie dat de wijn goed is.
Elk land heeft eigen afkortingen:
Een trede lager staan wijnen met een ruimere herkomst en lossere regels, zoals IGP in Frankrijk en IGT in Italië.
Het verschil zit in de herkomst, de druiven en de manier waarop de bubbels ontstaan.
Terroir is alles wat een plek aan de wijn meegeeft: de bodem, het klimaat en de ligging. Bij ligging gaat het om de hoogte, de helling en hoeveel zon de wijngaard krijgt. Veel wijnmakers rekenen ook de manier van werken in een streek erbij.
Terroir verklaart waarom dezelfde druif op twee plekken anders smaakt. Chardonnay uit het koele Chablis is strak en fris. Chardonnay uit een warm gebied is vol en rijp.
Op de kaart kun je met de knoppen Klimaat en Bodem zien welk terroir elk wijngebied heeft.
Op bijna elk etiket staan vijf dingen:
Veelvoorkomende termen:
Onbekende woorden vind je bij de begrippen.
Proeven gaat in drie stappen.
Let daarna op de afdronk: hoe lang blijft de smaak hangen nadat je hebt doorgeslikt? Een lange afdronk is een teken van kwaliteit.
Je leert het snelst door twee wijnen naast elkaar te proeven. Verschillen vallen dan direct op.
Tannine is een stof uit de schil, de pitten en de steeltjes van de druif. Ook houten vaten geven tannine af.
Je proeft het niet, je voelt het. Tannine geeft een droog, stroef gevoel in je mond, zoals bij sterke thee.
Tannine zit vooral in rode wijn, omdat die met de schillen gist. Het geeft de wijn structuur en maakt hem houdbaar. Met de jaren wordt tannine zachter.
Druiven met veel tannine zijn Cabernet Sauvignon, Nebbiolo en Tannat. Pinot Noir en Gamay hebben weinig tannine.
Vet en eiwit maken tannine zachter. Daarom past een stevige rode wijn goed bij rood vlees.
De meeste fouten ruik je meteen.
Dit zijn geen fouten: kristallen op de bodem of aan de kurk en bezinksel in een oude rode wijn.
Een fles met kurk mag je in een winkel of restaurant teruggeven.
Kamertemperatuur is voor rode wijn te warm. Boven de 20 graden gaat de alcohol overheersen.
Een vuistregel: zet rode wijn twintig minuten voor het schenken in de koelkast. Haal witte wijn er twintig minuten van tevoren uit.
Zo blijft de wijn langer goed:
Oude wijn is niet schadelijk. Hij wordt alleen vlak en zuur.
Slechte plekken zijn de keuken, naast de verwarming en boven op de koelkast.
De meeste wijn is gemaakt om binnen een paar jaar te drinken. Voor die flessen is een koele, donkere kast genoeg. Wil je wijn jaren bewaren en heb je geen kelder, dan is een wijnklimaatkast de beste keuze.
De meeste wijn niet. Verreweg de meeste wijn is gemaakt om jong te drinken, binnen een paar jaar na de oogst. Die wijn wordt met de tijd alleen vlakker.
Alleen wijn met veel zuren, tannine, suiker of concentratie wordt beter. Voorbeelden zijn rode Bordeaux, Barolo, Rioja Gran Reserva, goede Bourgogne, Duitse Riesling, Sauternes en vintage port.
Bij het rijpen verandert de smaak. Fris fruit wordt gedroogd fruit. Er komen geuren bij van leer, tabak en paddenstoel. De tannine wordt zachter. Witte wijn wordt goudkleurig en gaat naar honing en noten smaken.
De belangrijkste regel: een licht gerecht vraagt om een lichte wijn en een stevig gerecht om een stevige wijn.
Vlees:
Vis:
Kaas:
Nog drie vuistregels:
Bij elk wijngebied op de kaart staat onder Lekker bij welk eten erbij past.
Duurder is niet altijd beter. De prijs hangt af van de kosten, de schaarste en de naam.
Bij een heel goedkope fles gaat het grootste deel van de prijs naar belasting, de fles, het vervoer en de winkel. Er blijft weinig over voor de wijn zelf. Betaal je een paar euro meer, dan gaat dat extra geld bijna helemaal naar de wijn. Bij heel dure flessen betaal je vooral voor de naam en de schaarste.
Zo vind je een goede fles:
De beste wijn is de wijn die jij lekker vindt.
Een standaardglas wijn is 100 milliliter. Daarin zit ongeveer 10 gram alcohol en 70 tot 85 calorieën. In een restaurant is een glas vaak groter, tot 150 milliliter. Dan drink je ook anderhalf keer zoveel alcohol en calorieën.
De calorieën komen vooral uit de alcohol en voor een kleiner deel uit suiker. Een wijn met meer alcohol of meer suiker bevat dus meer calorieën. Zoete dessertwijn en port zitten daardoor een stuk hoger.
De meeste wijn heeft 11,5 tot 14,5 procent alcohol. Lichte wijnen zoals Moscato d'Asti zitten rond de 5 procent. Port en andere versterkte wijn zitten rond de 20 procent.
De Gezondheidsraad adviseert om geen alcohol te drinken of in elk geval niet meer dan één glas per dag.
Sulfiet is een zwavelverbinding die wijn beschermt tegen bacteriën en tegen bederf door lucht. Wijnmakers gebruiken het al eeuwen.
Bij de gisting ontstaat vanzelf een klein beetje sulfiet. Daarom zit het in vrijwel alle wijn, ook als de maker niets toevoegt.
Zit er meer dan 10 milligram per liter in, dan moet op het etiket staan dat de wijn sulfieten bevat. Dat is bij bijna elke fles zo.
Witte en zoete wijn bevatten meestal meer sulfiet dan rode wijn. In gedroogd fruit zit vaak veel meer.
Hoofdpijn na wijn wordt vaak aan sulfiet toegeschreven, maar daar is weinig bewijs voor. Alcohol en te weinig water drinken zijn waarschijnlijker oorzaken. Een kleine groep mensen, vooral mensen met astma, is wel overgevoelig voor sulfiet.